Pijnrevalidatie
Revalidatie bij chronische pijn
Het ontstaan van chronische pijn
Leren omgaan met pijn
Van observatie tot nazorg
< home

Van observatie tot nazorg
Een pijnrevalidatieprogramma heeft vier fasen.
De eerste fase is de screeningsfase. De revalidatiearts beoordeelt samen met de patiënt en eventueel met de psycholoog of maatschappelijk werkende of het volgen van een pijnrevalidatieprogramma zinvol is.
Zo ja, dan stelt de revalidatiearts de indicatie en start de observatiefase. Tijdens deze fase analyseert het pijnrevalidatieteam de aard, de oorzaak en de huidige consequenties van het pijnprobleem. Hoe gaat de patiënt om met zijn chronische pijn? Welke emoties en gedachten spelen daarbij een rol? Hoe reageert de omgeving? Welke beperkingen ervaart hij in het dagelijks leven?
Op basis van de uitkomsten van de observatiefase formuleert de patiënt in nauwe samenwerking met het revalidatieteam, de revalidatiedoelstellingen. Deze persoonlijke doelstellingen worden vastgelegd in het revalidatieplan. Vervolgens start de behandelfase: de uitvoering van het revalidatieplan.
De afronding van de behandeling heet de nazorgfase. Het revalidatieteam begeleidt de patiënt bij het toepassen van de nieuwe aangeleerde vaardigheden in dagelijkse situaties. Het team kan de zorg ook overdragen aan hulpverleners in de woonomgeving van de patiënt.

Een pijnrevalidatieprogramma duurt maximaal zes maanden. De behandelingen kunnen zowel individueel als in groepsverband plaatsvinden.

Poliklinisch of klinisch
Patiënten kunnen een poliklinisch of klinisch revalidatieprogramma volgen. Tijdens een poliklinisch programma worden dagen van behandeling afgewisseld met therapievrije dagen. Thuis oefenen patiënten de nieuwe vaardigheden die ze geleerd hebben.
Voor de meeste patiënten is een poliklinisch programma voldoende. In enkele situaties is een klinische opname nodig om een optimaal behandelresultaat te bereiken.

Voor wie is pijnrevalidatie geschikt?
Pijnrevalidatie is geschikt voor mensen met verschillende soorten pijnklachten, zoals:

  • Mensen met zogenaamde aspecifieke lage rugpijnklachten. Aspecifiek betekent dat er geen specifieke oorzaak voor de pijn bekend is.
  • Mensen met fibromyalgie. Fibromyalgie komt vaak voor bij mensen die constant én al een hele lange tijd erg alert en gespannen zijn. Het lichaam raakt daardoor overbelast en ontregeld, met pijn in spieren, pezen en gewrichten tot gevolg. Pijnstillers helpen onvoldoende en voor fibromyalgie bestaat geen specifieke medicatie.
  • Mensen met complex regionaal pijnsyndroom type 1 (CRPS 1). Bij mensen met CRPS 1 ontstaan de chronische pijnklachten na een letsel in hand of voet. CRPS 1 is de meest recente naam voor het syndroom. Voorheen werd het ook wel posttraumatische dystrofie of reflexdystrofie genoemd.
  • Mensen met een whiplash syndroom.
  • Mensen met CANS. CANS betekent Complaints of Arm, Neck and/or Shoulder (klachten van arm, nek en/of schouder) . Tot voor kort werd een deel van deze klachten RSI genoemd.
  • Mensen met pijn elders in botten en spieren (bewegingsapparaat).
 
print | sitemap | disclaimer